De broers Pélissier domineren Parijs-Roubaix van 1921
27 maart 1921

Fout melden

Twee koersende broers komen we wel vaker tegen in de wielergeschiedenis, maar zelden bepalen ze een klassieker zoals Henri en Francis Pélissier dat deden in Parijs-Roubaix van 1921. Ze werden dat jaar eerste en tweede...

De broers Pélissier waren eigenlijk met 4: Henri, Francis, Jean François en Charles. Jean François kwam om tijdens de eerste Wereldoorlog, maar de andere 3 broers werden allemaal bekende wielrenners.

Henri was de oudste en diegene met het grootste talent. Hij was echter zeer koppig en hield nooit een blad voor zijn mond. Het was niet toevallig dat hij op 16-jarige leeftijd thuis wegliep om alleen te gaan wonen en te kunnen koersen. Hij was al snel succesvol en won onder andere tweemaal de Ronde van Lombardije, Milaan-San Remo en 3 ritten in de Tour de France van 1914. Ook na de oorlog bleef hij wedstrijden winnen.

Francis was de tweede broer die het als wielrenner ging proberen. Hij reed onder de bescherming van zijn oudere broer in 1919 zijn eerste jaar als prof. Ook toen al reden de broers Pélissier een opmerkelijke Paris-Roubaix en reden ze met twee samen voorop. Francis was echter nog niet sterk en ervaren genoeg om het mee tot het einde vol te houden. Henri ging dan maar alleen door en won die Paris-Roubaix, terwijl Francis nog verdienstelijk 6e werd.

In die jaren was Henri ook een van de weinige renners, die het aandurfde om de miserabele omstandigheden waarin er vaak gekoerst moest worden aan te klagen en dan vooral in de Tour de France. Zo stapte hij in 1919 uit de Tour na een dispuut met organisator Desgrange waarbij die hem een extra glas wijn zou geweigerd hebben op de receptie na een rit. Ook in 1920 stapte hij uit de Tour, ditmaal vanwege het slechte weer. Voor Desgrange was dit een doorn in het oog, een renner moest voor hem keihard zijn en zich niet door iets onbeduidend als het weer laten beïnvloeden. In zijn opiniestuk in de krant sabelde Desgrange Pélissier dan ook neer: “Hij is een renner met veel talent, maar hij weet niet wat afzien is. Hij kan dan wel veel wedstrijden winnen, de Tour zal hij nooit kunnen winnen.” In het begin van het jaar 1921 nam Desgrange zich dan ook voor om niet meer over de broers Pélissier te schrijven op de hoofdpagina van de krant...
In de dagen voor Paris-Roubaix was Henri samen met zijn broer Francis naar enkele sponsors gegaan met de vraag voor een contractverbetering. Tot dan toe reden ze immers letterlijk voor een trui, een broek en een fiets. Henri wilde betaald worden voor de prestatie die hij leverde, zodat hij kon leven van het wielrennen. Geen enkele sponsor was echter geïnteresseerd en kwaad trokken de broers dan ook naar de start: ze zouden hen allemaal wel eens laten zien wat ze waard waren... Door hun acties hadden ze zich op dat moment zowel bij organisatoren als sponsors niet populair gemaakt en ze hadden dan ook een klinkende overwinning nodig om nog aan de bak te komen.

Paris-Roubaix zelf kende op dat moment nog geen speciale kasseistroken (alle wegen waren immers nog kasseiwegen), maar wel een beslissende helling, de Côte de Doullens. Hier werd meestal de eerste schifting gemaakt en het was ook hier dat de broers zich, zoals ze afgesproken hadden, aan kop zetten en samen versnelden. Op de top bleven ze slecht met 4 over: de 2 broers, Romain Bellenger en man-in-vorm René Vermandel. Vermandel won 14 dagen eerder nog de Ronde van Vlaanderen. Slechts 2 renners komen in de daaropvolgende kilometers nog aansluiten: Emile Masson en Léon Scieur (later op het jaar winnaar van de Tour de France) en Hector Tiberghien. Zonder omkijken bleven de broers echter om beurten het tempo moordend hoog houden, gejaagd door de meewind. Alleen achtervolgen was dan ook hopeloos en dat merkten Bellenger en Masson al snel nadat ze teruggeslagen werden door lekke banden. Het was een droge editie dat jaar en ook toen al waren er volgwagens die het stof omhoog joegen op de stoffige landwegen. Scieur had hier het meeste last van. Hij reed als laatste van de kopgroep en verblind door het stof moest ook hij enkele meters laten.

De grootste bedreiging voor de broers Pélissier leek van Vermandel te komen. De broers probeerden hem echter af te matten door om beurten te demarreren. Vermandel leek eerst alle aanvallen op te vangen, maar kreeg het toch lastig. Duidelijk afgemat vroeg hij aan de broers om hem er niet af te rijden en samen naar Roubaix te rijden, waar Henri als betere sprinter het makkelijker zou kunnen afmaken, maar de broers weigerden, ze voelden dat ze de sterksten waren en wilden geen risico lopen.

Uiteindelijk wist Henri in Hem, op iets meer dan 5 kilometer van Roubaix, toch weg te rijden uit de kopgroep. Francis was dan wel de mindere sprinter van de 3 achtervolgers, hij kon nu in de wielen blijven. In de laatste kilometer ging hij dan van ver aan om er een lange spurt van te maken. Vermandel reed op dat moment op een leeglopende band en moest als eerste passen. Scieur klampte nog aan maar ook hij moest het hoofd buigen.
Henri was achteraf al even blij met de 2e plaats van zijn broer als met zijn eigen overwinning. Al van in 1919 droomde hij ervan om het podium te delen met zijn broer en eindelijk was het zover! Met hun indrukwekkende prestatie gaven ze Desgrange overigens geen andere keus dan hen toch op de voorpagina te plaatsen. “De besten hebben gewonnen” kopte hij de dag nadien met tegenzin in L’Auto.

Twee jaar later zou Henri Pélissier nogmaals Desgrange’s ongelijk bewijzen door de Tour de France van 1923 te winnen. Francis bleef altijd in de schaduw van zijn oudere broer, maar deed het toch ook niet slecht. Hij won later op het jaar Paris-Tours, werd 3x Frans kampioen (1921,1923,1924), won 2x Bordeaux-Paris (1922,1924), in die tijd de belangrijkste eendagswedstrijd op de kalender en droeg in de Tour van 1927 5 dagen de gele trui.

Ook de jongste broer, Charles Pélissier, zou later een bekend renner worden. Hij was een topsprinter en won 16 ritten in de Tour, waarvan 8 in eenzelfde Tour, die van 1930. Tot op heden is dit nog steeds een record dat hij deelt met Eddy Merckx, die dat zelfs tweemaal verwezenlijkte, zowel in 1970 als in 1974 en Freddy Maertens die in 1976 8 ritten won.