Oscar Freire is de verrassende wereldkampioen van 1999
10 oktober 1999

Fout melden

Sommige renners kunnen als geen ander pieken naar een bepaalde wedstrijd. Oscar Freire is er hier ongetwijfeld een van. Hoewel hij zijn palmares al aardig heeft uigebreid maakte hij toch vooral naam met zijn opmerkelijke prestaties op het Wereldkampioenschap. Het begon allemaal in '99 toen hij als onbekende tweedejaarsprof het WK won en daarbij alle grote namen achter zich liet.

Hoewel de wereldtitel vaak voor een bekroning van een mooie carrière zorgt, gebeurt het soms dat zo’n carrière start met een wereldtitel. Bij Oscar Freire was dat laatste het geval. Toen hij als tweedejaarsprof werd geselecteerd door de Spaanse bondscoach Paco Antequera voor het WK werd hij vooral gekozen om de ploeg op te vullen. Freire had tot dan als prof nog maar 1 overwinning geboekt, een rit in de Vuelta a Castilla y Leon in 1998 en sukkelde tijdens zijn 2e profjaar het grootste deel van het seizoen met een knieblessure. Hierdoor kwam hij pas eind juli terug in actie, overigens zonder veel spraakmakende resultaten.

Grote favorieten voor het WK waren de renners die goed uit de Vuelta a España kwamen en dan vooral Frank Vandenbroucke en Jan Ullrich. Die laatste had de Vuelta winnend afgesloten en werd enkele dagen voordien ook al wereldkampioen in het tijdrijden. Vandenbroucke van zijn kant had in de Vuelta al laten zien dat hij in topvorm zat en de enige vraag die de reporters zich nog stelden was dan ook: ‘Wie houdt VDB van de wereldtitel?’ Het parcours was immers op zijn maat gesneden: elke ronde op het lokale circuit rond Verona moest de Torricelle beklommen worden, een klim van 4km over gemiddeld 4%. Dat moest volstaan om de tegenstand het nakijken te geven.
Nog voor halfkoers ging die titeldroom al voor een groot deel aan flarden: VDB bleef met zijn stuur in een lint hangen en kwam ten val. Hij stapte wel terug op, maar kon van dan af geen kracht meer zetten op zijn handen. Na de koers bleek dan ook dat hij zijn polsen had gebroken. Ondanks deze beperking wist Vandenbroucke samen met Ullrich toch nog voor een schifting te zorgen in de laatste ronde. Ze waren echter niet de enigen die nog tot de kopgroep behoorden, die bestond bij het ingaan van de laatste ronde nog uit 11 renners, waaronder ook nog uittredend kampioen Oscar Camenzind, diens landgenoot Marcus Zberg, de Italiaan Francesco Casagrande, Michael Boogerd en uiteraard Oscar Freire, die onopvallend meegleed met de kopgroep. Op de slotklim kwamen er nog verscheidene aanvallen, maar de enigen die hierdoor de rol moesten lossen waren de Nederlander Michael Boogerd en de Italiaan Mirko Celestino, die zijn werk als knecht had gedaan.
Uitvalspogingen van Vandenbroucke in de laatste kilometers werden geneutraliseerd door de Zwitsers. En op 2 kilometer van de aankomst ging probeerde Camenzind nog eens, samen met de onbekende Freire. Ze werden echter bijgehaald op 1km van de aankomst en Freire zakt terug naar de laatste plaats. Iedereen dacht dat hiermee zijn laatste kansen op de zege verspeeld waren.
Met nog 600 meter te gaan maakte men zich dan ook op voor een spannende sprint, maar dat was buiten Oscar Freire gerekend. Hij reed in laatste positie van de kopgroep en zag voor hem hoe de favorieten elkaar beloerden aan de linkerkant van de weg. Hoewel hij wist dat hij over een degelijke sprint beschikte, speelde hij liever een andere troef uit: het verrassingseffect. Freire zette aan van in de laatste positie en verraste iedereen aan de rechterkant van de weg. Niemand had verwacht dat de jonge onervaren Spanjaard nog tot meer in staat zou zijn dan volgen. De korte twijfel die ontstond bij de toppers was voldoende om hem een onoverbrugbare voorsprong te geven. De favorieten konden enkel nog voor de tweede plaats sprinten en zoals verwacht was Zberg daarbij de snelste, voor de Fransman Jean-Cyril Robin.
Oscar Freire in zijn kampioenentruiOp zijn 23e won hij zo zijn eerste van drie wereldtitels en dat was de start van een uiterst succesvolle wielercarrière.. Zo kreeg hij meteen ook een droomtransfer naar de sterkste ploeg van dat moment: Mapei-Quickstep. Hij was overigens zeker geen eendagsvlieg, dat bewees hij de daaropvolgende jaren met winst in onder andere Milaan-San Remo, verschillende ritten in de grote wielerrondes en natuurlijk de 2 andere wereldtitels in 2001 in Lissabon en in 2004 opnieuw in Verona. Hij liet daarbij zien echt wel een specialist van wereldkampioenschappen te zijn; als prof haalde hij maar liefst 7 keer de top-10 van het WK. Zijn kwaliteiten in het sprinten en klimmen zijn dan ook perfect op maat gesneden van het gemiddelde WK-parcours.